Een steak grillen op tijd of gevoel is gokken met duur vlees. Hoe vaak heb jij niet naast de BBQ staan duimen dat de kip vanbinnen wél gaar zou zijn? Ons motto is niet voor niets: meten is weten. Wie de kerntemperatuur meet, weet zonder aan te snijden precies hoe ver het vlees is. Hieronder vind je onze complete kerntemperatuur tabellen: de grote BBQ-klassiekers, alle cuissons voor rood vlees, vis en de minimaal geadviseerde temperaturen per vleessoort. Plus de nagaring-vuistregels waarmee je het vlees op exact het juiste moment van het vuur haalt, en een gratis cheatsheet voor naast je BBQ.
De kerntemperatuur tabel voor BBQ-klassiekers
Dit zijn de kerntemperaturen van de gerechten die het vaakst op een Nederlandse BBQ liggen, inclusief het moment waarop je het vlees van het vuur haalt. De regel erachter: haal vlees 2-4 °C onder de doeltemperatuur van het vuur (de nagaring doet de rest), behalve bij gehakt en gevogelte (daar meet je de veilige eindwaarde zelf) en bij low & slow (daar ís de eindwaarde het doel). Stook je op een kamado, dan lees je in onze kamado gids hoe je hem urenlang stabiel op temperatuur houdt. Bij bijna elke klassieker staat ons eigen recept; alle 109 vind je in ons overzicht met bbq recepten.
| Gerecht | Kerntemperatuur | Van het vuur bij* | Recept |
|---|---|---|---|
| Biefstuk / steak (medium rare) | 54-57 °C | 51-54 °C | Cajun-biefstuk |
| Ribeye / entrecote (medium rare) | 54-57 °C | 51-54 °C | Tomahawk steak |
| Diamanthaas | 54-57 °C (medium rare) | 51-54 °C | Diamanthaas van de BBQ |
| Bavette | 54-57 °C (medium rare) | 51-54 °C | Bavette van de BBQ |
| Tomahawk (reverse sear) | 54-57 °C (medium rare) | 46-48 °C uit de indirecte fase | Tomahawk steak |
| Picanha (reverse sear) | 54-57 °C (medium rare) | 45-48 °C uit de indirecte fase | Picanha staartstuk |
| Hamburger (gemalen vlees) | 70 °C | meet 70 °C op het dikste punt | geen |
| Gehaktbal (ook half-om-half) | 70 °C | meet 70 °C in de kern | Gerookte gehaktbal |
| Moink balls | 70 °C | meet 70 °C in de kern | Moink balls |
| Kip (heel of filet) | 70-72 °C, wij houden 71 °C aan | meet 71 °C in het dikste deel | Kip van het spit |
| Kippenbout / kippendij | minimaal 71 °C | meet het dikste deel van de dij, niet tegen het bot | geen |
| Beenham | 65 °C | 62-63 °C | Beenham honing-mosterd |
| Spareribs (low & slow) | priktest: alsof je in pindakaas prikt (92-95 °C) | geen | Malse spareribs |
| Pulled pork | 91-95 °C | geen | Pulled pork |
| Brisket | ±94 °C én probe tender (soms pas bij 98-99 °C) | geen | Brisket |
| Buikspek (low & slow) | 93 °C | geen | Gerookte buikspek |
| Riblap | 90 °C | geen | Pikante riblap |
| Beefhammer / pulled beef | minimaal 92 °C | geen | Beefhammer |
| Hele eend (gerookt) | 73 °C, gemeten in de bout | geen | Gerookte eend met framboos |
*Van het vuur bij: doeltemperatuur minus de nagaring, gerekend met een stuk van zo’n 3 cm dik bij normaal grillen. Dikker vlees of hogere hitte? Lees de nagaring-sectie hieronder.
Cuissons: van rare tot well done
Cuisson is de gaarheid van rood vlees, uitgedrukt in kerntemperatuur. Van bloedrood (43-48 °C) tot doorbakken (70 °C en hoger): de tabel hieronder geldt voor rundvlees en als gaarheidsschaal voor kalf, lam en veel wild. Wat ons betreft is 54-57 °C (medium rare) voor de meeste steaks de sweet spot: warm, rosé-rood en op z’n malst. Medium raden we zelden aan: je levert malsheid in en krijgt er weinig voor terug. Alle steak-gaarheden, routes en afhaalmomenten werken we uit in onze gids over de kerntemperatuur van biefstuk.
| Kerntemp | Gaarheid (NL) | Gaarheid (Engels) |
|---|---|---|
| 43-48 °C | Bloedrood | Bleu |
| 48-53 °C | Rood | Rare |
| 54-57 °C | Rosé-rood | Medium rare |
| 57-63 °C | Rosé | Medium |
| 63-67 °C | Rosé-doorbakken | Medium well |
| 70+ °C | Doorbakken | Well done |
Let op: deze cuisson-schaal is voor rood vlees, niet voor varkensvlees. Voor varken houden wij de gaarpunten uit de tabel per vleessoort verderop aan: varkenshaas rosé op 63 °C, varkensrack op 62 °C. De rest van het varken (ribben, procureur, buikspek) gaart low & slow sowieso ver voorbij die waarden.
Kerntemperaturen vis
Vis is sneller gaar dan vlees en droogt sneller uit: een paar graden te ver en je zalm wordt kruimig. De tabel hieronder geeft de gaarpunten waarop vis op z’n lekkerst is.
| Soort | Kerntemp |
|---|---|
| Zalm | 45-50 °C |
| Witvis zoals kabeljauw, zeebaars, pangasius, dorade | 55-58 °C |
| Tonijn, marlijn, zwaardvis | 50 °C |
Let op!
Deze vis-temperaturen zijn gaarpunten voor de lekkerste textuur, geen pasteurisatiewaarden. Gaar je vis onder de 60 °C, gebruik dan verse vis van sushi-kwaliteit of vis die eerder is ingevroren (invriezen doodt parasieten). Ben je zwanger, ouder of heb je een verminderde weerstand? Gaar vis dan door tot minimaal 60 °C.
Minimaal geadviseerde kerntemperatuur per vleessoort
Onderstaande tabel geeft per vleessoort de minimale kerntemperatuur die wij adviseren, van kip tot hazenbout. Bij kip en gehakt is dat een harde veiligheidsgrens; bij wild en varkensvlees is het ons gaarpunt-advies.
| Soort | Kerntemp | Toelichting |
|---|---|---|
| Kip, kalkoen en parelhoen | 70-72 °C | Veilig indien het minimaal een minuut boven 69 °C is geweest*. Wij houden zelf 71 °C aan. Houd bij zwangerschap of kwetsbare weerstand 75 °C aan. |
| Gehakt/gemalen vlees zoals worst en hamburgers | 70 °C | Het is al veilig wanneer het minimaal een minuut boven 66 °C is geweest*. Wij houden zelf 70 °C aan: dan zit je boven die minuutgrens zonder te hoeven klokken, mits je op het dikste punt meet. |
| Beenham | 65 °C | Deze temperatuur is ideaal |
| Varkenshaas | 58-63 °C | Rosé. Wij mikken op 63 °C: veilig én sappig |
| Varkensrack | 62 °C | Rosé / Medium |
| Ree | 55 °C | Rosé-rood / Medium rare |
| Hert | 55 °C | Rosé-rood / Medium rare |
| Wild zwijn (everzwijn) | 60-62 °C | Rosé (gekeurd vlees) |
| Eendenborst | 55 °C | Rosé / Medium. Ga niet veel hoger dan 60 °C, dan wordt het al snel enorm taai. |
| Eendenbout | 75 °C | Doorbakken / Well done |
| Fazant | 55 °C | Rosé / Medium |
| Konijn (filet) | 52 °C | Rosé-rood / Medium rare |
| Konijn (bout) | 82 °C | Doorbakken / Well done |
| Duif (wild en tam) | 63 °C | Rosé / Medium |
| Hazenrug / filet | 48 °C | Rood / Rare |
| Hazenbout | 80 °C | Doorbakken / Well done |
| Gans (filet) | 55 °C | Rosé / Medium |
| Ganzenbout | 75 °C | Doorbakken / Well done |
| Buffel | 50 °C | Rosé-rood / Medium rare |
| Kwartel | 70 °C | Doorbakken / Well done |
| Grouse | 60 °C | Rosé / Medium |
| Patrijs | 55 °C | Rosé-rood / Medium rare |
Over die asterisk bij kip en gehakt: voedselveiligheid is een kwestie van temperatuur én tijd. Kip die minimaal een minuut boven de 69 °C blijft, is net zo veilig als kip die kort 74 °C aantikt; daarom houden wij 71 °C aan. Gehakt is veilig na minimaal een minuut boven de 66 °C; met 70 °C op het dikste punt zit je daar ruim boven. Wil je geen enkele marge, bijvoorbeeld tijdens een zwangerschap? Houd dan 75 °C aan voor gevogelte.
Waarom je op kerntemperatuur werkt (en niet op tijd)
De kerntemperatuur is de enige betrouwbare maat voor gaarheid: kleur, kooktijd en gevoel zeggen niets over wat er binnenin gebeurt. Een biefstuk serveren wij het liefst rosé-rood, en het zou zonde zijn om er pas bij het trancheren achter te komen dat hij doorgeschoten is. Eten je gasten hun biefstuk liever medium? Juist dan is meten goud waard: je serveert niets te rauw, zonder het risico dat de temperatuur te ver doorschiet.
Bij kip en gehakt komt daar voedselveiligheid bij. Wie op gevoel gaart, gaart uit voorzichtigheid te lang, met droge kip als resultaat. Met een kernthermometer weet je exact wanneer het veilig én op z’n best is. Dat geldt trouwens voor elke bereiding: op de BBQ, in de pan of in de oven.
Hoe meet je de kerntemperatuur?
Om de kerntemperatuur te meten heb je enkel een kernthermometer nodig. De voeler hiervan stop je in het midden van het dikste gedeelte van het vlees. Dat is namelijk het gedeelte dat het traagst gaart, en dus de laagste temperatuur zal hebben. Welke thermometers wij zelf gebruiken en aanraden lees je in onze kernthermometer-koopgids.
Je kunt onderscheid maken tussen twee soorten thermometers: losse snelle kernthermometers om direct de kerntemperatuur te meten, en kernthermometers die je er gedurende de gehele bereiding in laat zitten en op afstand kunnen worden uitgelezen, waardoor je niet eens de deksel hoeft te openen.
Losse ‘instant’ kernthermometers
Dit zijn een soort satéprikkers met een thermometer in het handvat. Je prikt in het vlees en ziet direct de temperatuur. Dit werkt heel makkelijk en snel, waardoor het wat ons betreft een must-have is. Je kunt heel gemakkelijk op meerdere plekken direct de temperatuur meten. Wij gebruiken dit type kernthermometer dan ook het vaakst.

Vaste kernthermometers die je langere tijd laat zitten en op afstand uitleest
Vooral bij lange bereidingen van vaak grotere stukken vlees is het erg handig om een vaste kernthermometer te hebben. Deze heeft vaak meerdere probes (voelers) die je vanaf het begin al in het vlees prikt en doorlopend de temperatuur meet. Vaak is hiermee ook de roostertemperatuur te meten. Via een extern display kan je de temperatuur precies uitlezen. Wat het helemaal afmaakt is dat ze tegenwoordig ook via bluetooth of wifi in verbinding staan met je telefoon. Zo zie je mooie grafiekjes van de temperatuur en kan je meldingen instellen zodat je telefoon afgaat als de temperatuur van je BBQ te ver stijgt of daalt, of als de gewenste kerntemperatuur bereikt is. Bij low & slow sessies zoals pulled pork is dit dan ook onze favoriet.

Tegenwoordig heb je hiervan ook draadloze versies. Een hele bekende is de Meater (meer daarover in onze koopgids). Je hebt dan een prikker met aan beide uiteinden een temperatuursensor. Het ene uiteinde meet de kerntemperatuur van het vlees terwijl het andere uiteinde de keteltemperatuur van je BBQ (of oven) meet. Een nadeel van de draadloze variant is dat de probe iets dikker is, immers alle techniek zit erin. Je hebt daardoor een dikker gat in je vlees. Om die reden houden wij het zelf nog bij de bedrade variant, de draden zitten ons helemaal niet in de weg.
Let op de nagaring
Nadat je vlees van de BBQ komt, stijgt de kerntemperatuur nog door. Dit heet nagaring (of carryover cooking) en wordt veroorzaakt doordat de hitte van de buitenste lagen naar het koelere centrum trekt. Hoeveel precies? Dat hangt af van drie factoren: de dikte van het vlees, de keteltemperatuur en de bereidingsmethode.
Bij een hot & fast sessie is het temperatuurverschil tussen buitenkant en kern groot, waardoor het vlees flink nagaart. Denk aan 5 tot 8 °C bij een dikke steak of een compact stuk vlees van 4 cm of meer. Bij een low & slow sessie is dat verschil veel kleiner en zal de nagaring slechts 1 tot 3 °C bedragen. Een dunne steak of een platte kipfilet gaart nauwelijks na. Gebruik als vuistregel dat een gemiddeld stuk vlees van zo’n 3 cm dik ongeveer 2 tot 4 °C nagaart bij normaal grillen. Ga je voor medium-rare (54-57 °C) bij een biefstuk, haal hem dan bij 51 tot 54 °C van het vuur.
En bij reverse sear dan? Hier zit een veelgemaakte denkfout. De nagaring na de lage indirecte fase is inderdaad klein: slechts 2 tot 3 °C. Maar daarna volgt de sear, en die voegt nog eens 6 tot 8 °C toe. De totale stijging van indirecte zone tot eindtemperatuur kan daardoor oplopen tot zo’n 10 tot 12 °C. Haal je vlees dus 8 tot 10 °C onder je doeltemperatuur van de indirecte zone, niet eerder en niet later. Hoe die methode precies werkt lees je in onze gids over reverse sear op de kamado.
Moet je vlees laten rusten?
Kort antwoord: ja, maar hoe lang hangt af van het type bereiding. En nooit onder folie als je de korst wilt behouden.
Er bestaat een hardnekkig debat over het nut van het laten rusten van vlees, vooral bij steaks. Wij baseerden ons eerder op de conclusie van AmazingRibs dat rusten bij steaks niet nodig zou zijn. Na het grondig bestuderen van hun brondata en aanvullend wetenschappelijk onderzoek nuanceren wij dat standpunt. Want de werkelijkheid is genuanceerder dan “wel of niet rusten”.
Wat zegt het onderzoek?
Prof. Greg Blonder (natuurkundige en wetenschappelijk adviseur van AmazingRibs) testte twee identieke ribeyes van 4 cm dik, bereid via de reverse sear methode tot 52 °C kern. De één werd direct aangesneden, de ander rustte 30 minuten. Het verschil in sapverlies? Slechts 4 gram, minder dan een theelepel. Op dat punt is de conclusie van AmazingRibs eerlijk: bij vlees gegaard tot rare of medium-rare (onder de 55 °C) is het sapbehoud door rusten inderdaad minimaal.
Maar hier wordt het interessant. Blonders eigen data liet ook zien dat bij hogere kerntemperaturen, voorbij de 57 °C waar collageen begint te krimpen, het verschil wél substantieel wordt. Bij varkensvlees op 60 °C kern verloor het niet-geruste stuk een derde meer sap dan het geruste stuk. America’s Test Kitchen mat bij varkenslende op 60 °C zelfs 60% minder sapverlies na 10 minuten rusten. De wetenschap is hier helder: hoe hoger je gaart, hoe groter het verschil dat rusten maakt. En dat is relevant, want veel van wat er op de kamado ligt (denk aan een varkensrack op 62 °C of een eendenborst op 55 °C) zit in dat gebied waar rusten wél meetbaar helpt.
Daarnaast stelde food scientist J. Kenji López-Alt vast dat 5 minuten rust al voldoende is: langer rusten scheelt daarna nauwelijks nog sap bij het aansnijden. Ook Meathead van AmazingRibs zelf erkent dat de natuurlijke tijd tussen grill en bord (het lopen naar de tafel, het opscheppen van de bijgerechten) in de praktijk al genoeg rust biedt. Zijn boodschap was dus nooit “sla het rusten helemaal over”, maar “maak er geen ritueel van 15 tot 30 minuten van”.
En die korst dan?
De claim dat rusten je korst verpest is waar, maar alleen als je het verkeerd doet. Dek je vlees af met aluminiumfolie, dan vangt de folie het vocht op dat als stoom uit het vlees komt. Dat condenseert en maakt je knapperige Maillardkorst zacht. Precies hetzelfde gebeurt als je het vlees plat op een bord legt: de onderkant ligt in zijn eigen vocht.
De oplossing is simpel: laat je vlees onafgedekt rusten op een rooster, zodat de lucht er aan alle kanten langs kan en het vocht wegloopt. Zo blijft de korst intact en krijg je alsnog het voordeel van een gelijkmatige temperatuurverdeling. Dit is precies wat professionele keukens doen, van Michelin-sterrenrestaurants tot de beste steakhouses.
En bij reverse sear? Hier zijn de meningen verdeeld. López-Alt zegt dat vlees bereid via reverse sear niet apart hoeft te rusten, omdat de trage indirecte voorgaring de interne temperatuur al gelijkmatig heeft verdeeld. Dat klopt op het punt van temperatuuregalisatie. ThermoWorks toonde met thermische camera-opnames echter aan dat de sear de spiervezels flink samentrekt, en dat ook bij reverse sear een paar minuten rust helpt om die vezels te laten ontspannen. Onze lijn is inmiddels dezelfde als in de gidsen: die ontspanning geef je het stuk vooraf, in de tussenrust van 5 tot 10 minuten na de indirecte fase, en na het afgrillen snijd je meteen aan.
Onze aanbeveling (de BBQ Nerds methode):
Rusttijd is geen vast getal. De juiste rusttijd hangt af van de dikte, de massa en het type vlees. Het doel is altijd hetzelfde: geef de hitte net genoeg tijd om zich te verdelen en de spiervezels te laten ontspannen, maar serveer het vlees voordat het afkoelt en het vet begint te stollen.
Een dunne steak of kipfilet (tot 2 cm dik) heeft nauwelijks rust nodig. Hier is de thermische massa zo klein dat wachten vooral betekent dat je vlees onnodig afkoelt. Gun het 1 tot 2 minuten op een rooster en snijd aan.
Een standaard steak, varkenshaas of eendenborst (2 tot 4 cm dik) rust je 3 tot 5 minuten onafgedekt op een rooster. Dat is lang genoeg voor temperatuuregalisatie en sapverdeling, en kort genoeg om warm op tafel te komen.
Een dikke steak of compacte roast (4 cm en dikker, denk aan een tomahawk, dikke picanha of een prime rib) rust je 5 tot maximaal 8 minuten. Langer en het oppervlak koelt te ver af, het vet wordt wasachtig en je verliest precies de warmte die het vlees lekker maakt. Niet voor niets werken steakhouses met snikhete borden: het vlees moet warm op tafel komen. Rust op een rooster boven een voorverwarmd bord, of leg het vlees na de rusttijd op een hete plank. Is het toch te ver afgekoeld? Flash het vlees kort terug in een gloeiend hete pan met een klont boter: 15 seconden per kant is genoeg om de korst en de warmte terug te brengen zonder de garing te beïnvloeden.
Bij low & slow bereidingen zoals brisket of pulled pork is holding (warmhouden in een geïsoleerde koelbox) een heel ander en belangrijk verhaal. Hier gaat het niet om kort rusten maar om urenlang warmhouden, losjes ingepakt, waarbij de gelatine terugtrekt in het vlees. Dat is een apart onderwerp; het volledige verhaal staat in onze gids over vlees laten rusten.
Drie regels gelden altijd: haal het vlees van het vuur op een paar graden onder je doeltemperatuur (de nagaring doet de rest), rust altijd onafgedekt op een rooster als je de korst wilt behouden, en gebruik nooit aluminiumfolie bij vlees waar je een knapperige Maillardkorst op hebt gebouwd.
Gratis cheatsheet
Alle klassiekers, de cuisson-schaal en de nagaring-vuistregels op één A4 voor naast je BBQ. Download de kerntemperatuur-cheatsheet (PDF) en hang hem op. Meten is weten. Overnemen mag met bronvermelding.


PRAAT MEE
Heb je vragen over dit artikel of wil je je eigen ervaringen delen? Laat het ons weten in de reacties hieronder! Je krijgt binnen 24 uur antwoord van échte BBQ Nerds.